10 tips om beter te fotograferen
Topfotograaf Jurjen Drenth begeleidde onze fotoreis naar Salzburgerland. Hier vind je tien tips van hem om betere foto’s te maken.
1. Kijk en voel bewust, niet vanuit de alledaagsheid; zie en voel de schoonheid van dingen. Daar begint het mee; in een alledaagse stemming op pad gaan om te fotograferen werkt niet. Doe net of je een hele bijzondere reis maakt, ook al ben je in je eigen achtertuin!
2. Verbind je met een onderwerp, verdiep je erin en blijf niet op een afstand staan. Fotografeer je mensen, leg dan contact en ga tussen ze staan. Maak contact; niet door je op te dringen, maar door een soort van vanzelfsprekende vriendelijkheid; daarmee bereik je bijna alles.
3. Mensen maken je foto’s vrijwel per definitie levendiger. Bijvoorbeeld in een overzichtsbeeld zoals deze foto, waarvoor ik onze gids liet poseren. Een foto zonder personen is vaak doods.
4. Denk aan de compositie. Er zijn ‘regels’ voor composities zoals de Gulden Snede, maar die gaan niet altijd op. Soms kan ook een rechttoe-rechtaan compositie of juist symmetrie (zie bovendstaande foto) heel goed werken. Vooral belangrijk: denk altijd goed na over je compositie. Probeer storende elementen (vuilnisbakken, elektriciteitslijnen etc.) weg te laten.
5. Wissel af in je fotografie. Maak niet alleen overzichten, maar ook details. Probeer hetzelfde onderwerp met zowel groothoek als telelens te fotograferen. Zo ontwikkel je variatie in je beelden. Kies ook verschillende hoeken en standpunten.
6. Werk niet te ingewikkeld, maar met technische instellingen die bij je passen. Ikzelf werk veel op half-automaat (diafragma voorkeur, Menu Av) zodat ik spontaan op alles kan reageren. Menu P is alleen handig onder zeer wisselende omstandigheden, als je geen fouten wilt maken. Menu M (sluitertijd en diafragma met de hand instellen) heeft voor mij als reportagefotograaf absoluut het nadeel dat opnames regelmatig niet goed belicht zijn of dat ik niet snel kan reageren.
7. Een goede foto is eigenlijk driedimensionaal. Het vlak is uiteraard 2-D, maar als je net dat stukje gevoel of bijzondere compositie in die foto weet te leggen, dan wordt het beeld als het ware driedimensionaal. Bijvoorbeeld door een lijn die je het beeld in trekt, of door een persoon of object op de voorgrond.
8. Leer werken met je witbalans, vooral wanneer je fotografeert in jpeg-formaat. (Fotografeer je in RAW-formaat, dan kun je de witbalans achteraf nog aanpassen). Vooral belangrijk bij interieur- en avondfoto’s met kunstlicht: stel je witbalans dan in op kunstmatig licht en de kleuren zijn veel natuurlijker. Zonder aanpassing van de witbalans was bovenstaande foto veel te rood geworden. Maar: corrigeer de opnames niet stuk: bij een café hoort geel, warm licht en geen neutraal wit.
9. Werk zoveel mogelijk met bestaand licht, ofwel het aanwezige licht. Zowel binnen als buiten. Dan behoud je veel meer de sfeer dan wanneer je flitst. Flitsen zorgt doorgaans voor hard licht, kille sfeer en donkere achtergronden.
10. Houd de iso-waarde zo laag mogelijk. Want hoe meer iso, hoe meer ‘ruis’. (Ofwel korrel in de foto). Let er wel op – vooral in situaties met weinig licht – dat de sluitertijd niet te lang wordt. Zorg voor de gouden tussenweg tussen sluitertijd en iso-waarde.
Zelf op reis met Jurjen Drenth? Zie www.fotoreis.com
Plaats een reactie











