Bij de Zonen van het Meer

Bij Pyawbwe verlaat ik het dal van de Sittang en trek oostwaarts de Shan Hooglanden in. Mijn doel is het Inle Meer dat ligt ingeklemd tussen de in nevelen gehulde toppen van twee bergketens.
Het azuren meeroppervlak wordt bewoond door een volk dat zich Intha, ‘Zonen van het Meer,’ noemt. Hun huizen, kloosters, weverijen en goudsmederijen balanceren op palen boven het water. Hun markten worden gehouden op boten. En hun bloemkolen en tomaten verbouwen ze op drijvende eilanden die zijn gemaakt van een vlechtwerk van waterplanten en modder.
Na een fietstochtje over bobbelige landwegen arriveer ik vroeg in de ochtend bij een lange steiger aan de oostoever van het meer. Het plankier lijkt naar een magisch niets te voeren: de afdakjes die om de vijftig meter als hoeden boven het looppad staan zie ik in de gouden nevel boven het meer vervagen. De steiger blijkt wel degelijk ergens heen te leiden: het dorp Maing Thauk, waar elk huisje op zijn eigen bamboestelten staat te dromen.
Ik tref er de visser Zaw Zaw die me een boottocht over het meer aanbiedt. Met één been balanceert hij op de boeg van zijn ranke sloep terwijl hij het andere been om de roeispaan slaat en de boot ermee voortstuwt. Het is een soort van ‘lopend’ roeien waarvan je bijna niet kan geloven dat het mogelijk is. Even later drijven we tussen vissersbootjes die elk een grote puntige fuik van fijn geweven bamboe meevoeren.
Als de fragiele vleugels van enorme insecten glijden ze loom door de eerste zonnestralen. Na het vissen nodigt Zaw Zaw me uit voor een kop thee in het stelthuis waar hij met zijn broers en hun gezinnen woont.
De kinderen zijn door het dolle heen van het vreemde bezoek en rennen rondjes door het huis, dat reageert als een boot in een storm. Met moeite weet ik de thee in m’n mok te houden en ik vraag me verwonderd af of de huisstelten zoveel kindervreugde wel kunnen verdragen. Maar de gezichten van de volwassenen stellen me gerust. De mannen persen kalm het rode sap van de betelnootbladeren tussen hun tanden. Terwijl de vrouwen, grote witte sigaren rokend, tevreden hun kinderen gadeslaan. De Zonen en Dochters van het Meer zijn niet bang voor een beetje deining.
[mappress mapid="217"]
Plaats een reactie

