De vlakte van Bagan

De Shan Hooglanden verlatend, voert mijn tocht vervolgens over het plateau ten westen van Meiktila. Door een verlaten gortdroog savanne-landschap slingert een onmogelijk wegdek dat bestaat uit gaten en molshopen van asfalt.
In deze zinderend hete woestenij kom ik tweemaal een groep haveloze wegwerkers tegen. Het zijn vooral tieners die met emmers gruis en dampende pannen teer de gaten in de weg omtoveren tot heuveltjes. Het enthousiaste gejuich tijdens mijn passage kan niet verbergen dat hier geleden wordt onder dwangarbeid.
Als ik de volgende dag afdaal naar de vlakte van Bagan zijn m’n gedachten bij een andere moeilijke tijd voor het Birmese volk, die beeldend beschreven is door Marco Polo. De Venetiaanse reiziger kijkt in 1277 gruwelend toe als het leger van de Birmese koning wordt afgeslacht door de Mongoolse horden. “Zelfs op de vlucht werden ze dermate wreed achtervolgd, opgejaagd en neergesabeld
dat het een erbarmelijk schouwspel was”. Door het dal van de Irrawaddy trekt Marco vervolgens met de overwinnaars mee naar Bagan, de Birmese hoofdstad. “Als de zon er op scheen”, zo schrijft hij, “kon men de torens van de stad van zeer grote afstand zien fonkelen en schitteren”
Marco’s verwondering is zeven eeuwen later nog steeds na te voelen. De dagen die ik fietsend doorbreng op de vlakte van Bagan voel ik me een mier op een eindeloos schaakbord. Tientallen kolossale tempels en duizenden dikbuikige, slanke, hoge, lage en gouden stoepa’s vormen de stukken van een magisch schaakspel.
Tussen de stenen torens, lopers en pionnen van dit sprookjesland liggen slaperige dorpjes en velden waar geitenhoeders met hun kuddes rondtrekken. Want de houten paleizen en huizen van de koninklijke metropool zijn al lang tot stof vergaan. Wie iets van het vroegere leven in de stad wil proeven moet zich wenden tot de fresco’s in de tempels. Achterin de Kyanzittha Umin tempel is bijvoorbeeld te zien hoe op een na de verovering gemaakte schildering de Mongolen genoten van het goede leven in Bagan. Bij het licht van m’n zaklamp ontdek ik een corpulente legerchef op een klapstoeltje die toekijkt hoe zijn manschappen met pijl en boog op grote exotische vogels jagen. En in de Ananda Ok Kyaung meent een tempelbewaarder zelfs Marco Polo te ontwaren die van een schip de Irrawaddy-kade op stapt.
Het is via die rivier dat ik Bagan in de ochtendschemering verlaat. Naar beneden ploegend door het zand van de steile oever bereik ik de waterkant waar de ‘boot’ van zes uur klaar ligt. Tientallen hulpvaardige handen dragen m’n fiets en tassen door het water naar een slanke motorsloep. Even later tuffen we de spiegelende vlakte van de Irrawaddy op. Boven de rechter oever staat een zachtroze zonneschijf tussen de torens en koepels van Bagan. Op het wit blinkende zand van de linker oever schuift nu en dan een vissersdorp voorbij: een paar rieten matten, een varken en een fel groen uienveldje. Het monotone geschraap van onze hozende bootsjongen en het gekeuvel van de marktvrouwen naast me lijken de mystieke rust op de rivier slechts te accentueren. Op de voorplecht van de sloep is een oude man in slaap gevallen. De stroom is breed maar ondiep en daarom zoekt de kapitein zigzaggend een veilige koers. Ook maneuvreert hij voorzichtig rond plastic flessen die hier en daar in het water dobberen. Het blijken de drijvers te zijn waaraan vissers hun netten ophangen. Na een drie uur durende vaart stroomopwaarts bereiken we de plaats Pakokku op de westoever van de rivier.
[mappress mapid="209"]
Plaats een reactie

